Drijvende bouwwerken en bouwbesluit

Omdat we in ons bureau nu met drietal waterwoningen tegelijk bezig zijn op hetzelfde kanaal, even een gortdroog stukje op deze blog. Namelijk de regelgeving die sinds kort van kracht is. Hier komt ie, veel leesplezier 😉

 

Bij Staatscourant 2017, 73470 is een nieuwe paragraaf “2.4 Drijvende bouwwerken, met vijf artikelen toegevoegd als verdere invulling van de regels die in het Bouwbesluit 2012 gelden voor de drijvende bouwwerken. Gezien de inhoud van paragraaf 2.4 is het opschrift van hoofdstuk 2 zo aangepast dat het niet meer alleen om brandveiligheid gaat, maar om veiligheid in het algemeen. De artikelen 2.11 tot en met 2.15 zijn hieronder toegelicht.
Artikel 2.11
In het eerste lid is de functionele eis gesteld dat een te bouwen drijvend bouwwerk en een tijdelijk drijvend bouwwerk voldoende stabiliteit, drijfvermogen en sterkte hebben. Deze eis is gebaseerd op artikel 2.5c van het Bouwbesluit 2012. Op grond van artikel 1.12 van het Bouwbesluit 2012 geldt deze eis ook voor verbouw. Hiermee geldt de functionele eis dus zowel voor nieuwbouw, tijdelijke bouw als verbouw. De eis is aanvullend op de eisen voor constructieve veiligheid in de artikelen 2.2 tot en met 2.5a van het besluit. Het tweede lid stelt dat aan deze eis wordt voldaan door de overige voorschriften van paragraaf 2.3 op te volgen. Dit geldt alleen voor een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC1 of CC2 zoals bedoeld in NEN-EN 1990 zonder vloer van een verblijfsgebied hoger dan 6 meter boven de waterlijn en dat niet is gelegen in:
a. een rivier, kanaal, meer of ander water dat bestemd is voor motorvrachtschepen;
b. een water dat onderhevig is aan getijdenwisseling.
Voor drijvende bouwwerken die niet aan voormelde vereisten voldoen, moet per aanvraag aan het bevoegd gezag aannemelijk worden gemaakt dat het drijvend bouwwerk voldoende stabiliteit, drijfvermogen en sterkte heeft en daarmee voldoet aan de functionele eis in het eerste lid. Bij het bepalen of deze drijvende bouwwerken voldoen aan de functionele eis van het eerste lid kan gebruik worden gemaakt van het rapport van Hageman “Constructieve veiligheid drijvende bouwwerken” van 5 september 2017 (www.rijksoverheid.nl). In dit rapport is beschreven hoe rekening kan worden gehouden met golven door beroepsvaart en getijdenstroming.
Artikel 2.12
In dit artikel staan de voorschriften met betrekking tot stabiliteit en drijfvermogen. Stabiliteit houdt in dat een drijvend bouwwerk niet mag kantelen. Met drijfvermogen wordt bedoeld dat een drijvend bouwwerk geen water mag maken. Het eerste lid geeft aan wat de afstand is tussen het metacentrum en het zwaartepunt van een drijvend bouwwerk, waarbij het metacentrum zich boven het zwaartepunt bevindt. Het metacentrum is een algemeen begrip in de scheepsmechanica. Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar genoemd rapport van Hageman. Als het metacentrum zich onder het zwaartepunt bevindt, is een drijvend bouwwerk niet stabiel en zal het omslaan. In het tweede lid staat hoe groot de veiligheidsafstand ten minste moet zijn. In onderdeel A is hiervoor het begrip veiligheidsafstand geïntroduceerd. De veiligheidsafstand is de aanwezige loodrechte afstand tussen het wateroppervlak en het laagste punt van de ingedompelde zijde waarboven het drijvend bouwwerk niet meer waterdicht is, bepaald volgens NEN 2778. NEN 2778 is de bestaande norm in het Bouwbesluit 2012 voor waterdichtheid. De minimale veiligheidsafstand hangt af van de gevolgklasse van het drijvend bouwwerk. In het derde lid is aangegeven hoe de benodigde veiligheidsafstand moet worden vergroot in het geval het drijvend bouwwerk is gelegen in een water waarin grote golven zijn die door wind kunnen ontstaan. Als de significante golfhoogte vermenigvuldigd met 1,125 groter is dan 300mm, dan wordt de veiligheidsafstand verhoogd met het verschil tussen de significante golfhoogte vermenigvuldigd met 1,125 en 300mm. De significante golfhoogte wordt bepaald volgens tabel 2.12.1 (voor windgebied I) of tabel 2.12.2 (voor windgebieden II en III). Naast deze veiligheidsafstand geldt ook dat een drijvend bouwwerk niet te veel scheef mag komen te liggen. Het vierde lid regelt daarom dat de scheefstand van het horizontale vlak van het drijflichaam, behorend bij de in het tweede lid bedoelde veiligheidsafstand, niet groter mag zijn dan 5 graden.
Artikel 2.13
In dit artikel staan de bepalingsmethoden voor de voorschriften uit artikel 2.12 met betrekking tot stabiliteit en drijfvermogen. In het eerste lid is de bepalingsmethode gegeven waarmee de grenswaarde van artikel 2.12, eerste lid, (de afstand tussen het metacentrum en het zwaartepunt van een drijvend bouwwerk) bepaald wordt. Onder a is aangegeven dat uitgegaan moet worden van de meest ongunstige belastingcombinatie uitgaande van de grenstoestand EQU volgens NEN-EN 1990. Onder b staan veranderlijke belastingen (in NEN-EN 1991) die daarbij voor drijvende bouwwerken als blijvende belastingen worden meegenomen, omdat deze belastingen bij drijvende bouwwerken veelal een permanent karakter hebben. Onder c is aangegeven dat bij de belastingcombinatie moeten worden uitgegaan van de opgelegde belastingen volgens NEN-EN 1991 en worden afwijkingen hierop gegeven. Zo hoeft men geen rekening te houden met een ongunstige plaatsing van de opgelegde belasting. Voor de bepaling van het zwaartepunt is namelijk alleen de rechtstandige zakking van het drijvend bouwwerk van belang. Verder hoeft men slechts op één vloer de extreme waarde aan te houden, terwijl de norm uitgaat van twee vloeren. Het tweede lid geeft de bepalingsmethode waarmee de veiligheidsafstand bedoeld in artikel 2.12, tweede en derde lid, bepaald wordt. Onder a is aangegeven dat uitgegaan moet worden van de meest ongunstige belastingcombinatie uitgaande van de grenstoestand EQU volgens NEN-EN 1990. Onder b staan veranderlijke belastingen (in NEN-EN 1991) die daarbij voor drijvende bouwwerken als blijvende belastingen worden meegenomen, omdat deze bij belastingen bij drijvende bouwwerken veelal een permanent karakter hebben. Onder c is aangegeven dat bij de belastingcombinatie moeten worden uitgegaan van de veranderlijke belastingen volgens NEN-EN 1991 en worden afwijkingen hierop gegeven. Zo hoeft men slechts op één vloer de extreme waarde van de opgelegde belasting aan te houden, terwijl de norm uitgaat van twee vloeren. Wel wordt gerekend met een ongunstige plaatsing van deze extreme waarde van de opgelegde belasting op een vloer zodanig dat het kantelende moment het grootst is. Bij deze belasting hoeft men geen rekening te houden met overige veranderlijke belastingen zoals wind. Indien de opgelegde belastingen niet overheersend zijn, hoeft men geen rekening te houden met een ongunstige plaats van deze belastingen. Wel zal men dan alle andere veranderlijke belastingen die NEN-EN 1991 kent, in rekening moeten brengen. Het meest bepalende hierbij is dan de windbelasting. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar het hierboven genoemde rapport van Hageman. Verder is geregeld dat de belasting door golven alleen mee hoeft te worden genomen als deze hoger zijn dan 0,5 m. Tot slot geeft het derde lid aan wanneer de bepalingsmethoden uit het eerste en tweede lid van dit artikel toegepast mogen worden. Onderdeel a stelt dat de scheefstand bij oplevering van een drijvend bouwwerk niet groter mag zijn dan 0,5 graden. Dit betekent dat een drijvend bouwwerk nagenoeg horizontaal waterpas moet liggen. Dit gebeurt in de praktijk door het aanbrengen van trimgewichten in het drijflichaam, het zogenaamde trimmen. Bij het gebruik van het drijvend bouwwerk zal deze situatie in stand moeten worden gehouden. Dit valt onder de zorgplicht uit artikel 1a van de Woningwet en wordt niet expliciet geregeld in de Regeling Bouwbesluit 2012. In onderdeel b is geregeld dat een drijvend bouwwerk met een drijflichaam met een holle ruimte een waterniveau-alarm moet hebben. Dat geeft een alarmsignaal af als er water op de bodem van het drijflichaam komt. Voor een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 met een drijflichaam met een holle ruimte geldt verder dat het drijflichaam ten minste moet bestaan uit twee gescheiden compartimenten en een automatische pomp moet hebben in ieder compartiment. Al deze voorzieningen zijn erop gericht dat de kans op het volstromen en zinken van een drijvend bouwwerk beperkt blijft. Aan het alarm en de waterpomp worden geen specifieke producteisen gesteld in de regeling. Het is aan de aanvrager van een vergunning om te bepalen welk alarm of welke pomp hij toepast. Het bevoegd gezag kan vervolgens beoordelen of deze keuze voldoende tegemoet komt aan hetgeen is beoogd (alarmeren van gebruikers van het drijvend bouwwerk respectievelijk het afvoeren van binnenkomend water). Het alarm en de pomp moeten uiteraard in het gebruik ook goed functioneren. Het gebruik valt onder de zorgplicht van artikel 1a van de Woningwet en is daarom niet expliciet geregeld.
Artikel 2.14
Dit artikel regelt de belastingen waarvan uitgegaan moet worden bij de bepaling van het niet bezwijken van een drijflichaam van een drijvend bouwwerk. De bepalingsmethode zelf volgt al uit het Bouwbesluit 2012. In onderdeel a is geregeld dat de belastingen die op een drijvend bouwwerk worden uitgeoefend als gevolg van de belastingscombinaties uit artikel 2.13 ook daadwerkelijk door het drijvend bouwwerk moet kunnen worden opgenomen zonder dat deze bezwijkt. In onderdeel b is verder geregeld dat bij de bepaling van het niet bezwijken van het drijflichaam uitgegaan moet worden van de fundamentele belastingscombinaties als bedoeld in artikel 2.2 van het besluit waarin de belasting door ijs en golven zijn meegenomen als veranderlijke belasting. Wat betreft de belasting door ijs volgens NEN-EN 1997 geldt op basis van deze norm dat ijsbelastingen niet behoeven te worden meegenomen als er maatregelen zijn getroffen waardoor ijsbelastingen niet kunnen optreden. Voor een nadere toelichting daarop wordt verwezen naar het rapport van Hageman. De belasting door golven hoeft alleen mee te worden genomen als deze hoger zijn dan 0,5 m. In onderdeel c is geregeld dat een drijvend bouwwerk niet mag zinken door een calamiteit. Uit artikel 2.3 van het Bouwbesluit 2012 volgt dat hierbij alleen de bekende buitengewone belastingen hoeven te worden beschouwd. Voor een drijvend bouwwerk is dit met name de aanvaarbelasting. Omdat het toepassingsgebied (zie hiervoor artikel 2.11, tweede lid) beperkt is tot wateren zonder motorvrachtschepen behoeft hierbij alleen rekening te worden gehouden met toeristische scheepvaart. In NEN-EN 1991-1-7 worden hiervoor stootbelastingen gegeven. Drijvende bouwwerken in gevolgklasse CC1 met minder dan twee bouwlagen zijn hiervan uitgezonderd. Deze uitzondering is opgenomen omdat ook het gestelde in artikel 2.3 van het Bouwbesluit 2012 niet uitsluit dat eenvoudige tweelaagse bouwwerken door een calamiteit kunnen bezwijken. Als er maatregelen worden genomen om aanvaringen te voorkomen zoals het aanbrengen van beschermingsconstructies rondom het drijvend bouwwerk, behoeft geen rekening te worden met een aanvaring. Dit geldt ook als het drijvend bouwwerk is gelegen in (een gedeelte van) een water waarin helemaal geen scheepvaart plaatsvindt.
Artikel 2.15
Dit artikel regelt de belastingen waarvan moet worden uitgegaan bij de bepaling van het niet bezwijken van een aanmeerconstructie van een drijvend bouwwerk. De bepalingsmethode zelf volgt uit het Bouwbesluit 2012. Met onderdeel a is geregeld dat de belastingen, die op een aanmeerconstructie worden uitgeoefend als gevolg van de belastingscombinaties uit artikel 2.13, ook daadwerkelijk door de aanmeerconstructie moet kunnen worden hoe opgenomen zonder dat deze bezwijkt. In onderdeel b is geregeld dat bij de bepaling van het niet bezwijken van de aanmeerconstructie ook moet worden uitgegaan van de fundamentele belastingscombinaties als bedoeld in artikel 2.2 van het Bouwbesluit 2012 waarin de belasting door ijs is meegenomen als veranderlijke belasting. Wat betreft de belasting door ijs volgens NEN-EN 1997 geldt op basis van deze norm dat ijsbelastingen niet hoeven te worden beschouwd als er maatregelen zijn getroffen waardoor ijsbelastingen niet zullen optreden.